|
Gestorven waarvoor hij leefde
Arie Trum & Coen Tuerlings, wandpanelen Titus Brandsma Memorial: Dachau
God en mens zijn volgens Titus Brandsma wezenlijk met elkaar verbonden. Volgens de getuigen blijft Titus dit godsbesef en mensbeeld innig beleven en uitdragen in de hel van het concentratiekamp Dachau. Het was 1942, het jaar dat de concentratiekampannalen in zou gaan als ‘het bloedjaar’. Titus, die al verzwakt is door het verblijf in de andere gevangenissen, wil alle orders van het blokhoofd en de Stubenälteste zo nauwkeurig mogelijk opvolgen maar hij is niet vlug genoeg. Dit trekt extra de aandacht. Veel van de mishandelingen komen op zijn hoofd neer. Rafaël Tijhuis, die het kamp Dachau overleefde, schrijft: ‘Titus, met zijn aangeboren vriendelijkheid tracht door praten nog iets bij hen te bereiken Naderhand zeg ik dan wel eens tegen Titus: “Praat toch niet met die kerels, U bereikt er toch niets mee, hoogstens een pak slaag!”. Maar dan antwoordt hij: 'Daarom moet je het niet laten, want wie weet, misschien blijft er wel iets van hangen'. 'Men moet voor deze mensen bidden' hoor je hem vaak zeggen, 'opdat ze tot inzicht komen'.
Ruim 20 jaar voor zijn verblijf in Dachau heeft Titus Brandsma een lijdensmeditatie geschreven bij de kruiswegstaties van Albert Servaes. Scherp beschrijft hij daarin hoe het gemoed van de mens in opstand komt tegen de onterende ontluistering van het lijden. Hoe een mens het liefst daarvoor wil vluchten, weg van het kruis naar de zegevierende verlosser van de verrijzenis. Titus ziet echter juist ín die uiterste ontluistering van een mens een weg. Hier kan de liefde werkelijk aan het licht komen als alle gerichtheid op het zelf daarin geen deel meer heeft en de alteriteit van de Ander wordt omhelsd. Titus schrijft bij de derde statie: ‘In uw zwakheid hebt Gij de wereld overwonnen. Laat ik mét U zwak zijn en diep mij bukken onder de zwaarte van het leven. Nietig en gering zijn in het oog van de wereld en met U weer opstaan tot nieuw lijden, totdat mijn dood de bekroning zal zijn van mijn offer’.
Titus zocht het lijden niet op. Nog in de gevangenschap in Kleef heeft hij een poging gewaagd om het via een rekest af te wenden, door detentie te vragen in een Duits karmelietenklooster. Het lijden dat hij niet kon ontgaan ontving hij in verbondenheid met het lijden van Christus, ‘’t alleruitverkorenst lot, dat mij vereent met U, o God’, schrijft hij in de Scheveningse gevangenis. Dit heeft Titus tot op het laatst uitgedragen. De getuigen die het hebben overleefd vertellen hoe hij mensen bleef vertellen van Gods verbondenheid met de mens. Zijn medegevangenen zochten hem in het geheim op om hem te horen spreken over het ‘Licht wat ons de vrijheid zal schenken, aan het eind van de donkere tunnel’. Zijn Godsbetrokkenheid én menslievendheid hebben op velen een onuitwisbare indruk achtergelaten. Het eind van de tunnel kwam voor Titus op 26 juli 1942 om 2 uur in de middag.
Afbeelding: Lijdensmeditatie van Titus Brandsma, op Goede Vrijdag in de gevangenis van Amersfoort. De tekening is gemaakt door een medegevangene
|


